Een principiële restauratie Tekst: Lourens Touwen Foto’s: Michael Lehmann In 1896 werd op de werf van Rijnvis & Eikelboom te Hoogeveen voor Harm Gerrit Scholten het 108 metende “overdekt ijzeren tjalkschip” Trijntje gebouwd. Dit is het eerste artikel in een reeks over een principiële restauratie. Voor ons start het verhaal van Trijntje eind 2003. De 77 jarige schipper Joost Ritskes valt bij het verwisselen van een gasfles overboord en verdrinkt. Ritskes was de 4e eigenaar van Trijntje, die hij SPES noemde. Hij liet het schip achter, met zijn wasgoed nog aan het rekje in het ruim. Ritskes had 33 jaar alleen met zijn schip geleefd, zoals de schippers voor hem ook hadden gedaan, functioneel en in soberheid. De tijd had er minstens een halve eeuw stilgestaan en zo maakten we met Trijntje ook kennis met “oud Nederland”. Het najaar van 2005. Bij de notaris in Balk zit een klein gezelschap om tafel, elk met een gesloten enveloppe voor zich op tafel. Het gaat hen allen om die oude tjalk, die al tientallen jaren aan de Snekertrekvaart in Leeuwarden ligt. In de gesloten enveloppen de verschillende biedingen op het schip. De spanning is voelbaar als de notaris de enveloppen opent….. Dan hoor ik hem tot mijn stomme verbazing ons bod voorlezen! De “SPES”, ex Jokor 2, ex Nieuwe Zorg, ex Trijntje is van ons! Ongelooflijk! Onderzoek Trijntje bleek eind jaren ‘50, varend onder de naam Nieuwe Zorg, verbouwd tot verlengde motortjalk, compleet met stuurhut en koproer. Later leerden we dat eigenlijk alleen in deze fase fundamenteel aan het schip is verbouwd. In 1939 was er voor het eerst al eens wat “verbouwd”, maar toen betrof het vooral de vervanging van verrotte onderdelen, zoals het potdeksel, het roer, de zetboorden en dergelijke. Rond die tijd werd ook het kistluik wat verbreed, maar qua verandering was dat wel het voornaamste. Er was voor ons geen noodzaak om met de restauratie van Trijntje veel haast te maken. Gedurende 2006 hebben we heel bewust alle tijd genomen om het schip leeg te halen en te leren kennen. We hadden Trijntje regelmatig langzij onze woontjalk De Hoop. Ik kon zo steeds even ronddwalen in het schip, zomaar voor de lol of om te proberen te reconstrueren “hoe wat waar” oorspronkelijk (voor 1959) had gezeten. In hoekjes en gaatjes en potjes hingen oude geuren die met de dag vertrouwder werden. De “grote troep” was een feest. Overal had de techneut Ritskes zijn sporen nagelaten, in vreemde apparaten en zelfgebouwde constructies, maar ook in zijn erfenis aan cursussen Technisch Engels, boeken over zoete en zoute vissen en diverse leergangen filosofie. Ook vonden we een heuse “schat”, die voor onze kleine kinderen sprookjes tot leven bracht…. En voor de vader en zijn varende vrienden trouwens ook. De oliekachel kregen we weer aan de praat en in de “moderne” stuurhut (1959) ontstond een hangplek voor verloren liefhebbers, waar op frisse vrijdagavonden met bier en sigaren werd geboomd over het museum dat ons in de schoot was gevallen. Wie gek is op oude bootjes maakt deze fase maar weinig mee. Alleen deze ontdekkingsreis was mij de koop van het schip al meer dan waard. Rekken dus. Jammer dat je op een gegeven moment moet gaan opruimen! Conservatisme als deugd Van meet af aan was duidelijk dat het schip niet alleen heel bijzonder, maar ook erg gaaf was. Het vlak bleek in een uitzonderlijke conditie te verkeren, dat concludeerde ook de expert. Daarmee was onze gok goed uitgepakt. We hadden het schip namelijk ongezien en dus op vertrouwen gekocht, zowel binnenin als onder water. Al snel was ook duidelijk dat de ombouw tot motorschip nogal laat was gebeurd. De motor kwam er in 1954 in en pas in 1959 werd ze met 7 meter verlengd tot 29.70m (165 ton). Toen vele schepen al werden gesloopt, werd Trijntje nog eens verlengd! Het belangrijkste kenmerk van die ombouw is de soberheid waarmee het is gebeurd. Wat niet hoefde te worden verwijderd, is gewoon op het schip achtergebleven. Het is opmerkelijk hoeveel oude details en littekens er nog te zien zijn. Soberheid kenmerkte niet alleen de toenmalige schipper Jan Tigelaar, ook de eigenaren na hem waren geen echte veranderaars. Zowel Johannes Ritskes (nu 95 jaar) die het schip in 1968 van Jan Tigelaar kocht, als zijn neef Joost, die het schip in 1973 overnam, hebben vrijwel niets veranderd, met uitzondering van de vervanging van het tweede roer, de verlenging van de achtersteven en de aanpassing van de stuurinrichting. Met recht kan men redeneren dat het schip met dit beeld intussen historisch erfgoed was geworden. Wellicht had zij bewaard moeten blijven zoals zij was, toen wij haar kochten. Dat hebben wij ook wel overwogen. Hoe dan ook, wij troffen goed geconserveerd conservatisme aan. De tijd had stilgestaan. En zo riep Trijntje met alles dat zij was, volgens ons om een “principiële” restauratie. Leven in oud ijzer Maar het zou allemaal nog mooier worden. Want wat is een schip zonder mensen en verhalen? Pas met verhalen komt er leven in oud ijzer. Via het Kadaster en vervolgens de Historische Kring in Hoogeveen konden we de kinderen terugvinden van Jan Tigelaar, de man die met de tjalk onder de naam Nieuwe Zorg van 1929 tot 1968 zijn brood verdiende. Jan was na Harm Gerrit Scholten en Geert Kleine de derde eigenaar van het schip. Als we de Tigelaars konden terugvinden, hadden we 40 jaar historie van het schip in één keer boven water. Bovendien viel de periode hierin, dat de zeilende vaart overging in het tijdperk van de opduwers, ingebouwde motoren, stuurhutten, verlengingen en uiteindelijk voor de meesten: een sanering. Maar Trijntje was daaraan ontsnapt. Wat was haar verhaal? Waarom had Jan Tigelaar haar in 1959 nog verlengd? De heren Tigelaar Groot is het moment dat ik Arie Tigelaar ontmoet, met 74 jaar de oudste van de vijf kinderen Tigelaar, die overigens allemaal nog leven. Arie en zijn drie broers en hun zus zijn alle aan boord van de Trijntje (toen Nieuwe Zorg) geboren. Mooi was het om met Arie door het schip te struinen en in het achteronder te zitten waar hij was geboren en 19 jaar later, in 1951, van “uit huis ging”. Voor hem was het 50 jaar geleden, dat hij voor het laatst in dat achteronder was geweest. Een paar weken later zaten we opnieuw in het goeddeels originele achteronder, maar dan is broer Jan er ook bij. Prachtig om de twee oude broers samen te horen spreken over hun ouderlijk “huis”, het schip waar hun vader en moeder 40 jaar mee gevaren hadden. Een schat aan informatie werd over ons heen gestort en diverse waardevolle foto’s hebben we gekregen, de oudste uit 1942. Vele details zijn op die foto’s terug te vinden. En de broers vertellen er ook nog de mooiste verhalen bij. Zo weten we van Arie dat hij kijkend door de kluisgaten van Trijntje, tijdens de oorlog, de brug bij Arnhem in de rivier zag vallen. Ook ons schip was erbij geweest, een stille, vergeten getuige. Levende informatie Vele hypothesen konden we met de kennismaking met de heren Tigelaar in één keer toetsten. Sommigen konden meteen worden verworpen. Zo leerde Arie ons dat er wél een roef op de tjalk had gestaan, maar die was in de jaren ‘50 uitgebrand. Vandaar dat restant hoeklijn onder de stuurhutvloer. Dat is het hoeklijn van het achterschild van de roef. Ook het originele zeiloog zit nog op het achterdek. Vader Tigelaar had de huidige stuurhut zo over oude restanten laten zetten. Trijntje was dus oorspronkelijk helemaal geen dikke dektjalk, zoals we hadden gedacht! Dat vond ik overigens wel jammer. Ik hou van dikke dektjalken en die roef kunnen we niet meer restaureren, die moeten we nu wel reconstrueren. Maar gelukkig hebben we die prachtige foto’s en de levende informatie van de oude broers. Zoals het was, moet het ook weer worden, principieel. Een geklonken inkorting Dan is het tijd voor de eerste concrete fase in de restauratie: het inkorten. Halverwege december 2006 wordt het schip op de langshelling Het Anker in Hendrik Ido Ambacht de wal op getrokken. Er staat iets unieks te gebeuren. Arie en Jan Tigelaar zijn er ook bij. We hebben besloten dat een “principiële restauratie” moet beginnen met een “geklonken inkorting” door de restaurateurs Joram Lehmann en Paulus van der Jagt te Rotterdam. Joram en Paulus aan het werk In voorbereiding op deze “tweede grote operatie” in haar 110 jarige bestaan, werden alle gangen eerst opgemeten en de stuiknaden met elkaar vergeleken. Hieruit bleek dat de verlenging exact 7020 mm lang was. Ook werd gecontroleerd of de hoek van de gangboorden aan beide zijden nog gelijk was. De conclusie was dat de verlenging in 1959 is uitgevoerd zonder al te veel aanpassingen aan de oude delen. Alles wees erop dat een geklonken inkorting wel eens het originele schip zou kunnen gaan opleveren. Vol vertrouwen werden de platen die het schip in 1959 verlengden tot 29.70m, na een halve eeuw weer losgehaald. Om de klinknagels te verwijderen zonder de huidplaten te beschadigen, werd ervoor gekozen een luchthakhamer te gebruiken. De meeste koppen werden op deze wijze weggehakt en vervolgens konden de stelen van de klinknagels gemakkelijk (ook met de luchthamer) naar buiten worden gepord. Omdat alle stuikplaten bij de verlenging aan de kopse kanten waren afgelast, moesten die nieuw worden gemaakt. Ook moest een aantal dubbelingen in de kimmen worden verwijderd. De grote mecanodoos Nadat alle klinknaden schoongemaakt waren, kon het voorschip naar het achterschip worden gereden. Omdat het schip – met een stormachtige wind gehellingd - niet 100% recht op de wagens lag, moesten de twee helften voor de laatste centimeters met takels en vijzels in elkaars verlengde worden gebracht. Uiteindelijk werd het een kwestie van millimeters om de gaten “gebrild” te krijgen. Opperbest was de sfeer op de werf toen de originele klinkgaten aan het einde van een lange dag werken op 15 december 2006 weer precies tegenover elkaar zaten. Het was net een grote mecanodoos. In elk tweede klinkgat kon nu een bout M14 worden geplaatst, tot er weer verband in het schip zat. Ongelooflijk, zo eenvoudig alles leek! Klinkklaar Nu het spannendste gedeelte klaar was, kon het schip “klinkklaar” worden gemaakt. Het bleek dat de nagelgaten tijdens de verlenging niet groter gemaakt waren. Dit betekende dat de originele maat ½duimse nagels, afkomstig uit het nageldepot van de FONV, konden worden gebruikt. De gaten waren nauwelijks gesoevereind, iets wat wel werd verbeterd. Vervolgens werden alle gaten geruimd, waarna keggen geslagen werden om de boorspanen te kunnen verwijderen. Tussen alle landen en stuiken werd Tixophalte gespoten ter conservering en om lekkage te voorkomen. De klinkploeg bestond uit Joram de klinker, Paulus de aanhouder en Hans de nageljongen / instopper. In totaal werden er in twee dagen ongeveer 750 stuks ½ duimsklinknagels met een conische kop verwerkt. Aangezien gebruik werd gemaakt van een gassmidse hoefde de nageljongen minder op te letten dat de nagels niet zouden verbranden, dan in vroeger tijden het geval zou zijn geweest. Dit maakte dat hij tijd had om te helpen “instoppen”. Het gereedschap met het klinken bestond uit een luchtklinkhamer, een dolly, een luchtaanhouder en een gassmidse met de bijbehorende nageltangen. Voor de klinker was het klinken van het vlak zondermeer het zwaarst, terwijl de aanhouder juist in de zijden het meeste te verduren had. De gangboorden zijn met lucht “tegengehouden”. Toch iets uitgestrookt Toen de inkorting een feit was, bleek er wel degelijk iets te zijn uitgestrookt, in tegenstelling tot de aanvankelijke aanname dat dit niet zo was. De berghoutgang is naar voren toe iets omlaag gecorrigeerd. Dit is gedaan zonder de nagelgaten te raken. Er is van de bovenkant een spietje afgehaald en aan de onderkant bijgelast. Op dit deel van ongeveer één meter lengte is dus het berghout aangepast, wat ook geldt voor het potdeksel. Er is een nieuw stukje berghout tussen de bestaande delen geklonken. Op de oude foto’s van de verlenging in 1959 is goed te zien dat ook toen het berghout op deze plek was verwijderd ten einde dit later strokend terug te kunnen plaatsen. Na de tewaterlating bleek er op twee punten lekkage te zijn. Het ging om de plekken in de B-gangen waar de stuiken de landen kruisen. Bij demontage bleek al dat deze stuiken tijdens de verlenging nieuw waren gemaakt. Dit waren dus de enige niet “originele” naden. Helaas is toen vrij ruw gebrand, wat een rafelige stuiknaad opleverde met een verwacht risico op lekkage. Er is uiteindelijk besloten de kopse kanten van deze twee stuikplaten dicht te lassen, zoals dat bij de verlenging ook gedaan is. Kerst 2006 Net voor de kerst drijft de tjalk weer, zoals zij tot 1959 altijd had gevaren, 22.70m lang! Apetrots waren we allemaal, zeker ook Joram en Paulus en de mannen van Het Anker (Wilbert en Hans), die deze unieke “operatie” tot een goed einde hadden gebracht. Op derde kerstdag voeren Joram, Paulus en zijn zoon Laras, mijn vaarvriend Emile en ik Trijntje terug naar Joram’s stek in de Koningshaven te Rotterdam. Bart Vermeer staat aan de oever van de Maas te kijken als we voorbij varen. Hij en zijn dochter Annigje maken de eerste foto’s van de varende, geklonken ingekorte tjalk. Helaas is Arie Tigelaar er die dag niet bij. Hij had de laatste ”verlengde vaart” twee weken eerder wel meegemaakt, van Rotterdam naar Hendrik Ido Ambacht. Het was erg leuk geweest als hij er deze eerste “ingekorte vaart” ook weer bij was geweest, terug naar Rotterdam. En nu de rest nog Trijntje is nu dik een jaar van ons. Hierop terugkijkend zie ik dat er met dit prachtige schip iets magisch aan de hand is. Zo is er als vanzelfsprekend een hele cirkel van mensen om haar heen ontstaan, die allemaal een verschillend aandeel hebben in haar restauratie. Het project drijft op enthousiasme. Zo worden er op dit moment door Bart Vermeer, met hulp van de “kinderen” Tigelaar, werktekeningen van Trijntje gemaakt. Ook hebben we een professionele fotograaf aan het werk, die de restauratie van begin tot eind in beeld brengt. De volgende fase van de restauratie is eind februari opgestart. De reconstructie van het voorschip (dek, mastvoet, stortluik) is, na het verwijderen van het koproer en het maken van een “nieuwe oude” loefbijter, het eerst aan de beurt. Onze historische “hangplek”, de warme stuurhut uit 1959, laten we zo lang mogelijk staan. Het is nu de kantine van de restaurateurs, maar uiteindelijk zal ook die eraan moeten geloven…. Zie ook www.museumhavenleeuwarden.nl, www.scheepsrestauratie.nl, www.ijzerijpaulus.nl