Grote Beer

In 1907 is het schip gebouwd op de roemruchte werf “gebroeders Wiltschut” te Gaastmeer. Oorspronkelijk in opdracht van een schipper uit Hindelopen maar deze betaalde niet en de werfbaas verkocht het schip aan Keimpe de Jong uit Gaastmeer, Hij leende 9150 gulden van
3 geldschieters en werd eigen schipper. Dit geld moet hij in 20 jaarlijkse termijnen terug betalen. Het schip kreeg als naam “de Vriendschap” , thuishaven Gaastmeer, tonnage 121 ton.

Tot 1939 maakte “de Vriendschap” deel uit van de z.g.n. Strontarmada. Deze vloot van tjalken en klippers vervoerde de mest van de friese boeren naar Holland waar deze verkocht werd aan de tuinderijen in de bollenstreken en als bemesting.De schippers van de Strontarmada stonden bekend als zeer felle zeilers, bij elke tocht over de toenmalige Zuiderzee woedde er een onderlinge strijd om als eerste de haven te bereiken, vaak zeilden ze zo scherp dat de gangboorden onder water stonden!
In 1939 overlijdt Schipper de Jong aan een hartaanval bij het opdraaien van de mast. Zijn weduwe verkoopt het schip aan Gerben Oldenburg, de naam bevalt Gerben wel en deze blijft dus op het schip staan. Gedurende de oorlog wordt er niet heel veel gevaren omdat bijna alles in opdracht van de Duitser dient te gebeuren. De familie Oldenburg schuilt daarom gedurende geruime tijd met het schip in Hempens. Bij de bevrijding ligt het schip in Harlingen, de Duitsers blazen 15 schepen in de haven op maar de Vriendschap en een ander schip blijven dit trieste lot bespaard. In 1946 gaat het wel mis; het schip vaart op de Rijn op de brokstukken van een spoorbrug en zinkt. Gelukkig raakt er niemand gewond, alleen de scheepshond zal als slachtoffer de boeken ingaan.

Gerben Oldenburg (inmiddels weduwnaar) ontmoet op de werf een weduwe met een eigen schip. Ze trouwen en de Vriendschap gaat over op zijn zoon Hendrik Oldenburg. In deze periode wordt de eerste motor in het schip gebouwd; een liggende Deutz van 26 PK. Het schip verliest in de volgende jaren steeds meer van zijn oorspronkelijke uiterlijk, in de jaren 50 is het tot van de vele kleine motorvaarders verworden. Met het verstrijken van de tijd wordt het steeds moeilijker om het schip rendabel te houden.
Hendrik Oldenburg vaart alleen en kan dus nog redelijk rondkomen.Dan in 1969 gaat het weer mis! Op de Koeforde bij Spannenburg krijgt het schip een aanvaring en zinkt volgeladen met bieten naar de bodem. Deze ondergang is uiteindelijk de redding van het schip geworden.

Het wordt namelijk gelicht en omgebouwd tot overslagschip. Compleet met stuurhut en grote kraan. Zo verzet het haar werk gedurende 25 jaar voor diverse eigenaren waarna het schip verkocht wordt aan een particuliere liefhebber die haar zoveel mogelijk terugbrengt naar de glorie van haar tijden als zeilende vrachtvaarder. Sinds 1996 is het schip deel van de Museumhaven Leeuwarden.
De huidige eigenaren hebben het doel het uiterlijk van schip waar mogelijk nog verder terug te brengen naar de jaren 20/30.