Johanna Laetitia

De “Johanna Laetitia”s een stalen paviljoen tjalk. Deze schepen werden aan het eind van de 19e en  het begin van de 20e eeuw voornamelijk in Zuid Holland gebouwd. Op 12 juli 1905 gaf Cent Faasse, schipper te Sint-Philipsland, opdracht voor de bouw van deze “paviljoenboeier” aan scheepswerf Boot en zn te Vrijenban bij Delft. Een tjalk werd in die tijd vaak boeier genoemd als het boeisel (de bovenste rand van de zijkant van het schip) een wat rondere vorm had. Wanneer van een afstandje bekeken valt inderdaad op dat het berghout (de witte “stoot-“rand op de zijkant van het schip) rond loopt en nergens “stil staat”.De aanduiding “paviljoen” staat voor het verhoogde achterdek waaronder zich de schipperswoning bevond. Over dit achterdek strekt de opvallend lange helmstok hier versierd met een fraaie “klik”.Dit schip heeft vroeger met aardappelen gevaren tussen Zeeland en Amsterdam onder de naam Rehoboth. Schippers van destijds waren onder andere L.H. Faasse  en Gerrit de Kreek.

Het is tot het midden van de jaren ‘60 in de vaart geweest en heeft daarna ruim 20 jaar dienst gedaan als woonschip, bewoond door mevrouw “Laetitia”.Zowel een kopie van het originele bestek als het origineel van de eerste meetbrief zijn bewaard gebleven. Het bestek is in de jaren ‘80 door scheepstimmerman J.J. Jonkhout uit Exmorra (Warns) gebruikt om het schip te restaureren en in te richten voor de chartervaart. Hij was het ook die het schip de naam Johanna Laetitia gaf. In 2001 is het schip door de huidige eigenaar verbouwd tot varend woonschip.

Het zeiloppervlak is 145m2, de motor is een DAF 475 met 85Pk. Vroegere motoren waren een Kromhout en een Skoda 2-6s110 uit 1947. De lengte is 18.80, breedte 4,50m en de diepgang + 80 cm waardoor het zeer geschikt is voor het Friese Meren gebied, het IJsselmeer en de Waddenzee.